
Foto: Bijay Chaurasia via Wikimedia Commons
Ondernemers die meer dan 300 m³ leidingwater per jaar gebruiken moeten daar met ingang van morgen meer belasting over betalen. In het nieuwe jaar zal over de eerste 50.000 m³ waterverbruik belasting op leidingwater (BOL) worden geheven. Vanaf 2027 zal over elke kuub belasting moeten worden betaald, maar dan alleen nog over water van drinkwaterkwaliteit.
Tot nu toe hoefde deze belasting enkel over de eerste 300 m³ afgenomen leidingwater per aansluiting per jaar te worden betaald. Op deze manier werd bij invoering van de BOL bewerkstelligd dat de belasting vooral zou neerslaan bij huishoudens. Maar het betekende ook dat bedrijven als Heineken, DSM en Tata Steel (gebaseerd op het tarief van recente jaren) slechts een ruime honderd euro hoefden te betalen voor een jaarverbruik van miljoenen kubieke meters leidingwater.
Belastingplan 2026
Dit voorjaar kondigde toenmalig staatssecretaris van Financiën Tjebbe van Oostenbruggen aan dat hier verandering in zou komen, met een wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag. Dit wetsvoorstel maakte onderdeel uit van het Belastingplan 2026 dat op 16 december door de Eerste Kamer werd aangenomen.
De wetswijzigingen houden onder andere in dat het heffingsplafond komend jaar opgekrikt wordt tot 50.000 m³ leidingwater, waar behalve drinkwater ook allerlei soorten water van mindere kwaliteit onder vallen, zoals via een leiding geleverd rivierwater, water dat al eens gebruikt is, en gezuiverd rioolwater. Per 1 januari 2027 wordt het heffingsplafond in zijn geheel afgeschaft en moet voor iedere kubieke meter belasting worden betaald.
1.000-klantenregeling
Dat het meeste leidingwater tot dusver niet belast werd, kwam behalve door het heffingsplafond ook door de zogeheten 1.000-klantenregeling, die ervoor zorgt dat leveranciers die aan minder dan 1.000 aansluitingen leveren niet BOL-plichtig zijn. Deze regeling beperkte het aantal belastingplichtigen tot de tien drinkwaterbedrijven (die de BOL aan klanten doorrekenen), wat de uitvoerbaarheid vergemakkelijkte.
Met de afschaffing van het heffingsplafond wordt de 1.000-klantenregeling echter onhoudbaar, aldus het kabinet, doordat er grote fiscale verschillen kunnen ontstaan tussen partijen die water geleverd krijgen van een drinkwaterbedrijf, ten opzichte van andersoortige waterleveranciers, die minder dan 1.000 klanten hebben. Drinkwaterbedrijven zullen na afschaffing van het plafond immers over het gehele belaste watergebruik belasting betalen, terwijl leveranciers met minder dan 1.000 klanten voor een gelijk watergebruik geen belasting zouden betalen. Dit schuurt met het fiscale gelijkheidsbeginsel (gelijke behandeling van gelijke gevallen) en leidt tot een staatssteunrisico. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen de 1.000-klantenregeling af te schaffen, per 1 januari 2027.
Versmalling grondslag tot drinkwater
Het afschaffen van de 1.000-klantenregeling had op zijn beurt echter het risico vijf nadelen te veroorzaken:
Als oplossing voor de eerste vier nadelen wordt de belastinggrondslag - vanaf 2027 - versmald tot water van drinkwaterkwaliteit. Als oplossing voor het vijfde nadeel is besloten deze (overzichtelijk af te bakenen) groep verbruikers niet in de belastinggrondslag te betrekken.
Budgettair doel
Hoewel waterbesparing een gehoopt neveneffect is, zijn de maatregelen primair bedoeld voor het ophalen van inkomsten, benadrukte huidig staatssecretaris van Financiën Eugène Heijnen in antwoord op kritische vragen (CDA) die aan consensus in de Tweede Kamer voorafgingen. Geraamd is dat het schrappen van het heffingsplafond structureel 105 miljoen euro per jaar zal opleveren.
Wat waterbesparing betreft wordt verwacht dat de maatregelen een bescheiden effect zullen hebben. Volgens onderzoek van Witteveen+Bos zal het nieuwe belastingssysteem een waterbesparing van ‘0 tot 25 miljoen’ kubieke meter per jaar opleveren, omdat verbruikers over het algemeen beperkt reageren op prijsveranderingen van water.
Lastenverhoging
Brancheverenigingen waaronder VNO-NCW, VEMW en Vewin spraken zich uit tegen afschaffing van het heffingsplafond, met name vanwege de voorziene lastenverhogingen. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onderzocht Witteveen+Bos wat de lastenstijging bij afschaffing van het heffingsplafond zou bedragen voor sectoren die veel drinkwater verbruiken, zoals de gezondheidszorg en de voedingsmiddelen- en farmaceutische industrie.
Daaruit bleek dat de 5 procent grootste waterverbruikers in de voedingsmiddelen- en farmaceutische industrie gemiddeld 115.500 respectievelijk 150.700 euro per jaar meer belasting zouden gaan betalen. Daarnaast beslaat water volgens het onderzoek vaak maar een gering deel van het totale kostenplaatje van zakelijke gebruikers, waardoor de maatregel voor veel bedrijven in relatieve zin een beperkte kostenstijging zal zijn.
Doordat de heffing vanaf 2027 tot drinkwater zal worden beperkt zal de lastenverhoging bovendien in veel gevallen beperkt zijn, aldus de staatssecretaris. Ook biedt de stapsgewijze invoering van de nieuwe regels volgens hem gelegenheid om tijdig te investeren in maatregelen voor waterbesparing of vervanging van een deel van de drinkwaterbehoefte door alternatieve watertypen, om de lastenverhoging te beperken.
Vereenvoudiging
De afschaffing van het heffingsplafond en het versmallen van de belastinggrondslag tot drinkwater leiden tot een vereenvoudigde vlakke heffing met één tarief. Ook komt er een eind aan een teruggaveregeling voor verbruikers die leidingwater van verschillende leveranciers afnemen en die als gevolg van het heffingsplafond meer BOL moesten betalen dan wanneer ze van één leverancier zouden hebben afgenomen. Deze regeling wordt overbodig en wordt daarom afgeschaft.
In 2031 zal de doeltreffendheid van het nieuwe belastingssysteem worden geëvalueerd.
Bron: H2O Waternetwerk